India:
De overgrote meerderheid van de Indiërs (ongeveer 82%) is hindoe. Het percentage moslims bedraagt 11,3%. Verder zijn er christenen, sikhs, boeddhisten, jains, joden, parsi’s, aanhangers van de Baha’i en animisten.
Nepal:
Niets in Nepal is verwarrender dan de bonte verzamelingen goden, engelen, demonen, culturen en rituelen, die het land rijk is. De godsdienstbeleving in Nepal bestaat uit een mengsel van hindoeïsme en boeddhisme. Maar daarnaast zijn er nog tal van andere invloeden in terug te vinden, zoals animisme, sjamanisme, voorouderverering, de Tibetaanse bonreligie, tantra, vajrayana en lamaïsme. Waarin Nepal verschilt van de meeste andere streken in de wereld, is dat er geen echte opeenvolging van religies is geweest. In plaats daarvan is er in de loop der tijd een steeds ingewikkelder mengelmoes van de samenstellende delen ontstaan. In zekere zin deelt het land die kwaliteit wel met India, maar in dat land zijn toch enkele historische religieuze stromingen, zoals het boeddhisme, vrijwel geheel verdwenen.
Het hindoeïsme:
Als je het hindoeïsme nader beschouwt, dan lijkt het wel of hindoes niets gemeenschappelijks hebben. Dat is tot op zekere hoogte ook zo. Er is geen centrale hiërarchie, geen algemene geloofsbelijdenis en geen stichter waar alle hindoes in geloven. Hindoes uiten hun religieuze gevoelens op allerlei manieren. Hierdoor vind je naast een begrip als ‘ahimsa’ (geweldloosheid), en ideeën over vegetarisme, rituelen waarbij dieren worden geslacht of waarbij aan zelfkastijding wordt gedaan. Geloof in reïncarnatie bestaat naast een geloof in een hemel van de voorvaderen. Starre rituelen komen voor naast zeer emotionele ceremonies. Om een goed beeld van het hindoeïsme te krijgen kun je het beste individuele hindoes vragen naar hun ideeën daarover. Het blijkt dan dat vrijwel elke Indiër uitgesproken ideeën heeft over zijn of haar religieuze beleving en daar vaak graag over wil uitweiden. Maar opnieuw zul je zien dat er veel persoonlijke visies naast elkaar kunnen bestaan.
Hindoes erkennen veelal dat het leven vier doelstellingen heeft. In de eerste plaats is dit het volbrengen van religieuze en sociale verplichtingen tegenover de familie en de samenleving. Deze verplichtingen worden samengevat in het begrip ‘dharma’. Ten tweede is het vergaren van genoeg materieel bezit belangrijk, waardoor het geven van aalmoezen aan bedelaars en rondtrekkende heiligen mogelijk wordt en de familie kan worden onderhouden. Dit staat bekend als ‘artha’. Het derde doel is het beleven van seksualiteit of ‘kaama’, waaruit mannelijk nageslacht moet voortkomen. De zoon is nodig voor het uitvoeren van de voorouderrituelen. Het laatste en hoogste doel is de bevrijding uit de wedergeboorten, ofwel ‘moksha’ (een vergelijkbaar en in het westen veel bekender begrip is het boeddhistische nirvana). Naast het nakomen van deze verplichtingen is de individuele hindoe vrij te denken wat hij wil. Hij mag zijn eigen spirituele leermeester of goeroe kiezen. Er is een groot respect voor goeroes en voor ouderen. Hiernaast wordt er veel eer betoond aan de talloze levende heiligen. Veel van deze levende heiligen trekken rond door India en Nepal en worden ‘sadhoes’ genoemd.
De meeste hindoes geloven ook in ‘karma’. Deze levenswet betekent dat de ene daad de andere oproept, en alles wat je in je leven tegenkomt in feite een resultaat is van vroegere daden. Door het verrichten van goede daden kun je verdiensten kweken waarvan je later, in dit leven of in een volgend, de vruchten zult plukken. Hindoes besteden veel tijd aan het vereren van de goden die in de tempels huizen. Dit kunnen enorme tempels zijn, maar ook huistempeltjes in een hoekje van de kamer waar een familiegod wordt vereerd. In de tempel leeft de god als een koning. Veel hindoes geloven dat het mogelijk is om hun god zelf in de tempel te ontmoeten.
De godenwereld:
Een bezoek aan een hindoetempel is ook een inleiding tot een enorm godenpantheon. De meeste hindoes zullen je vertellen dat ze in één god geloven, ook al lijkt het dat er duizenden goden bestaan. Als je daarnaar vraagt dan krijg je vaak als antwoord dat de veelheid aan vormen gezien moet worden als de vlakjes van een diamant. Valt een lichtstraal op de verschillende vlakjes dan zal er iedere keer een ander facet van de diamant oplichten, maar het blijft dezelfde diamant. Hier zal nu aandacht worden besteed aan een paar belangrijke goden uit het hindoeïsme: Shiva, Vishnoe, Ganesha. Tussendoor worden tevens enkele godinnen behandeld.
In het westen is men vaak bekend met de hindoe drie-eenheid Brahma-Vishnoe-Shiva. Brahma wordt echter nauwelijks vereerd, omdat hij te abstract is, geen vorm aanneemt en nauwelijks spannende mythen heeft gecreëerd. In heel India staat maar één tempel die aan Brahma is gewijd, in Pushkar (Rajasthan). Brahma is de schepper van het universum en wordt afgebeeld met vier hoofden. Sarasvati is eerst de dochter van Brahma, maar wordt in latere tijden ook beschreven als zijn vrouw. Zij wordt beschouwd als de godin van de kunsten en wordt meestal afgebeeld met een snaarinstrument in haar handen.
Shiva is een van de belangrijkste goden van het hindoeïsme. Hij wordt vaak afgebeeld als een asceet. Hij gaat gekleed in een tijgervel of een olifantshuid, beide zijn verwijzingen naar twee demonen die hij ooit heeft vernietigd. Zijn lichaam is grijsachtig of wit van kleur omdat hij zich insmeert met de as van de lijkverbrandingplaatsen. Zijn haar draagt hij in lange gevlochten lokken zoals veel asceten in India het dragen. Hij heeft drie ogen, het derde siert zijn voorhoofd. Uit dit derde oog kan hij vuur laten voortrazen en daarmee vernietigt hij het universum als de schepping ten einde loopt. Shiva verenigt in zijn gestalte en in de attributen die hij bij zich draagt veel tegenstellingen. Dit komt, zo leggen hindoes uit, doordat hij een god is die het hele universum omvat, van hoog tot laag, van rein tot onrein. Zo draagt hij in zijn ene oor een oorring die uitsluitend gedragen wordt door laagkastige dorpsvrouwen terwijl in zijn andere oor een oorring hangt in de vorm van een mythische krokodil zoals alleen brahmanen dragen. In een van zijn handen draagt hij een ‘damaroe’, een op een zandloper lijkende trommel. Met deze trommel geeft hij het ritme van de schepping aan. Een van zijn andere handen draagt een oplaaiend vuur waarmee hij de wereld vernietigt. Op zijn hoofd draagt hij bloemen waaronder de zeer giftige datura, een bloem waaruit hallucinerende stoffen kunnen worden gedestilleerd. Om zijn hals draagt hij giftige slangen, symbolen van de dood. Op zijn hoofd draagt hij ook een maansikkel, een doodssymbool. Zijn rijdier is de stier Nandi. Nandi ligt bijna altijd voor de ingang van een Shiva tempel. Shiva is van oudsher de god der asceten. Veel van zijn volgelingen zijn sadhoes (heilige mannen), die alleen of in groepen door geheel India rondtrekken, hun lichaam ingesmeerd hebben met as, vaak op bizarre wijze boete doen en te herkennen zijn aan de drie horizontale strepen die zij op hun voorhoofd hebben geschilderd. Hun attribuut is de drietand. De vrouwen van Shiva zijn bekend onder vele vormen en namen.
Parvati is de meest bekende eega van Shiva, die het symbool is geworden van de volgzame onderworpen vrouw. Zij moest lijdzaam toezien hoe Shiva te pas en te onpas overspel pleegde met schone dames, maar altijd kwam hij weer bij haar terug. Parvati is de vreedzame vorm van het begrip ‘shakti’ (vrouwelijke energie). Zij kan zich echter ook manifesteren in andere woeste vormen: Durga, Chamunda of Kali. Durga wordt veelal aanbeden als zelfstandige godin, die op zich niets meer met Shiva te maken heeft. Zij is speciaal geschapen, met eigen wapens om de goden te redden van een vreselijke ramp. Als Kali (‘de zwarte’) verschijnt Parvati in haar meest verschrikkelijke vorm. Zij is zwart, haar tong hangt uit haar bloedige bek, omhangen met afgehakte menselijke hoofden en schedels, en dwaalt over afschuwelijke dodenakkers. Zij wordt geacht hulp te bieden waar geen enkele god meer macht heeft. Opvallend is ook dat juist de laagste kasten haar mogen aanbidden, wat haar aanhang zo groot maakt. Als enige krijgt zij bloedoffers; tijdens haar festival worden talloze zwarte, mannelijke dieren, variërend van katten tot buffels, aan haar geofferd.
Vishnoe is een god die in talloze gedaanten verschijnt. In karakter is hij doorgaans wat milder en vriendelijker dan Shiva, hoewel ook hij extatische aspecten kent. Vishnoe wordt meestal afgebeeld met een blauwe lichaamskleur en vier armen waarin hij een schelp, een knots, een lotus en een discus draagt. Hij draagt vaak een kroon en een geel kleed. Om zijn hals draagt hij een krans van woudbloemen en diverse sieraden waaronder een juweel dat wensen vervult. Vishnoe heeft twee rijdieren, de slang Shesha en de vogel Garuda. De slang dient hem als rustbed terwijl de vogel hem door het universum vervoert. Vishnoe bewaakt de wereld en hij grijpt in als er iets dreigt mis te gaan. Hij verschijnt dan op aarde in de vorm van een incarnatie. De hindoes kennen tien klassieke incarnaties: vis, schildpad, zwijn, de manleeuw Narasimha, dwerg, Rama met de bijl, Rama met de boog, Krishna, boeddha en tenslotte Kalki. De laatste incarnatie van Vishnoe, Kalki, moet nog komen. Hij zal verschijnen als een ruiter op een wit paard met een zwaard dat ‘vlamt als een komeet’. Daarmee zal hij alle demonen vernietigen die de wereld bedreigen. De populairste incarnaties van Vishnoe zijn Krishna en Rama met de boog, de held van de Ramayana. Krishna komt zelf weer in tal van verschillende verhalen en situaties voor en is vooral populair in zijn verschijning als jonge koeherder. Hij beleeft talloze avontuurtjes met de herderinnetjes van het dorp waar hij woont. Later is hij ook een groot religieus leraar geworden en hij verwoordt zijn boodschap aan de mensheid in de Bhagavad Gita, een belangrijke filosofische tekst, die centraal staat in de Mahabharata.
Een bijzonder populaire god is Ganesha. Hij valt enorm op tussen de honderden godengestalten van het Indiase pantheon omdat hij het hoofd heeft van een olifant. Van hem bestaan tientallen vormen. Hij wordt beschouwd als de geestelijke zoon van Shiva, die hem echter niet verwekt zou hebben. Hij is geboren uit de badolie van zijn moeder Parvati als een mooie jongen. Zijn olifantskop kreeg hij pas later. Toen Shiva na een lange afwezigheid weer thuiskwam, was Parvati juist een bad aan het nemen. Haar zoon Ganesha had zij voor de deur op wacht gezet. Deze had Shiva nog nooit gezien en weigerde hem de toegang. Shiva ontstak in vreselijke woede en sloeg de deurwachter het hoofd af. Pas toen hij vernam dat hij zijn eigen zoon had vermoord, moest hij snel het hoofd van het eerste het beste wezen vinden ter vervanging: dat was dus een olifant. Toen de kop van de olifant werd afgehouwen en op de grond viel, brak één van de slagtanden af. Deze werd aan de hemel geplaatst in de vorm van de maansikkel. Ganesha is een god die hindernissen wegneemt als hij wordt vereerd. Vereer je hem niet dan kan hij juist hindernissen scheppen. Ganesha doet alles voor de mensen die hem aanbidden en daarom wordt hij ook vaak door misdadigers, criminelen en zwarte magiërs vereerd. Ganesha wordt in bijna iedere hindoetempel vereerd. Hij rijdt op een rat.
De kasten:
In tegenstelling tot de westerse samenleving, waarin het principe van de gelijkwaardigheid van de individuen wordt onderstreept, is in India in principe de ene mens niet gelijkwaardig aan de andere. De samenleving is opgedeeld in een hiërarchie van hoog naar laag en deze verdeling bepaalt veel van het dagelijks leven. De verschillende groepen worden meestal aangeduid met de term ‘kaste’. De indeling in hoofdkasten omvat de vier ‘varna’s’. De eerste varna bestaat uit de brahmanen, de priesterstand. De tweede varna bestaat uit adel en krijgers, de ‘ksatriya’s’. In het huidige leger, de politiek en de politie is deze kaste oververtegenwoordigd. De derde stand bestaat uit ambachtslieden en handelaren, de ‘vaisya’s', terwijl de vierde varna uit de ‘sudra’s’ bestaat. De vierde varna heeft als taak de dienstbaarheid aan de bovenste drie varna’s. Het is vooral de enorme massa boeren die ertoe behoort. Los van deze vier groepen is er ook nog de groep avarna’s, de zogenaamde kastelozen. Deze ‘onaanraakbaren’ worden als buitengewoon onrein beschouwd en als het uitschot van de samenleving. Zij moeten het allersmerigste werk doen, zoals het schoonmaken van toiletten en straten. Alle beroepen die verband houden met bloed (slagers, zelfs vroedvrouwen) en de dood (lijkenverbranders, leerbewerkers) kunnen alleen maar door kastelozen worden uitgeoefend. De onaanraakbaren zijn een uiterst belangrijk onderdeel van de Indiase maatschappij. In de geschiedenis hebben vernieuwende filosofen keer op keer het kastensysteem veroordeeld en uiteraard juist onder deze groep aanhang gevonden. In onze tijd heeft Mahatma Gandhi het aangedurfd om te strijden voor het opheffen van het kastensysteem en hij noemde de onaanraakbaren ‘harijanen’, de ‘kinderen van God’. Officieel zijn nu bij de grondwet de kasten opgeheven en is discriminatie op grond van kaste verboden. In de praktijk blijkt echter maar al te vaak dat een systeem dat 3000 jaar de maatschappij heeft bepaald niet in een of twee generaties is te veranderen.
Kastenregels zijn het meest specifiek op drie punten. In de eerste plaats betreft dit de keuze van de huwelijkspartner: kasten zijn endogaam, dat wil zeggen dat kastenleden onder elkaar trouwen. In de tweede plaats: beroepen zijn kastengebonden. In de derde plaats is het in theorie niet toegestaan met niet-kastengenoten te eten. De onderverdeling in kasten heeft veel te maken met het geloof in de mate van reinheid van een kaste. Veel Indiërs geloven dat onreinheid kan worden overgedragen door het eten van gemeenschappelijke maaltijden. Het is wel toegestaan voedsel te eten dat bereid is door iemand uit een hogere kaste. Het eten van voedsel dat door een lager iemand is bereid, is verontreinigend. Vandaar dat brahmanen zeer gewild zijn als koks in restaurants omdat voedsel dat door hen is bereid voor iedereen acceptabel is. Er is ook eten dat niet verontreinigend is, onafhankelijk van wie het heeft bereid. Dit geldt bijvoorbeeld voor noten, betelbladeren en fruit. Deze mogen van iedereen worden aangenomen. Indiërs herkennen elkaars kaste vaak aan uiterlijke kenmerken of aan het taalgebruik.
Boeddhisme:
Boeddha werd in de 6de eeuw v.Chr. geboren in Lumbini, in de Nepalese Terai. Tijdens zijn luxe leven als prins werd hij geconfronteerd met het lijden van de mensen om hem heen. Na een lange meditatie verwierf hij verlichting en begon een nieuwe levensleer te verkondigen. Het boeddhisme is feitelijke een hervormingsbeweging van het hindoeïsme en veel elementen komen overeen. Op een aantal belangrijke aspecten verwierp de Boeddha de gangbare leer echter. De Brahmaanse rituele verering van de goden en het kastensysteem waren twee belangrijke zaken die hij verwerpelijk vond.
In navolging van het hindoeïsme beweerde de Boeddha dat alles wat bestaat een eeuwige opeenvolging van ontstaan en vergaan is (‘samsara’), waaraan in principe niets kan ontsnappen; niet de goden, niet het universum, niet de mensen. Het is hem, de Boeddha, echter wel gelukt om uit dit eeuwige rad van wedergeboorten los te komen. Zijn leer is een ontsnappingsmethode naar het nirvana, een staat van tijdloze rust en eenheid met alles. Belangrijk zijn de vier grote waarheden. 1. Alle leven is lijden; 2. Dit lijden is het gevolg van onze begeerten; 3. Door het opheffen van die begeerten kan men een einde maken aan het lijden; 4. Het opheffen van de begeerten wordt bereikt door het bewandelen van ‘de juiste weg’. Die juiste weg bestaat uit het achtvoudige pad. Het is een systeem van denken en handelen dat ervoor zorgt dat het karma van degene die hem bewandelt, verbetert. Naarmate het karma verbetert door het bewandelen van de juiste weg, reïncarneert men in reinere vormen. Tenslotte bereikt men het stadium van bodhisattva, waarin men niets anders meer verlangt dan het geluk van alle anderen. Vervolgens lost men op in het nirvana, de staat van verlichting waarin men beseft dat alles wat bestaat illusie is en slechts een luchtspiegeling van een ondeelbare eenheid die in zichzelf rust.
Gaandeweg ontwikkelde er naast deze weg, die later de Theravada of Hinayana school is gaan heten, het Mahayana-boeddhisme. Deze populaire vorm van boeddhisme herintroduceerde veel rituelen en de aanbidding van tal van boeddha’s en bodhisattva’s. Al gauw ontstond er een nieuw pantheon van goden in de Mahayana, die zich in de dagelijkse beleving van de gewone gelovigen nauwelijks meer onderscheidde van het hindoeïsme.
Tantra en Vajrayana:
Terwijl het boeddhisme in India langzaam weer oploste in het hindoeïsme, ontstond er vanaf de 7de eeuw in het oosten van India een nieuwe religieuze beweging, de Tantra. Zoals alle grote bewegingen in het land verwierp de tantristische beweging de kasten en het ritualisme van de Brahmanen. Leden van iedere kaste en ook vrouwen waren welkom. Het belangrijkste verschilpunt met het hindoeïsme en boeddhisme is de manier waarop moksha of nirvana bereikt kan worden. De Tantra opende het revolutionaire concept dat alles in het leven gebruikt kan en moet worden op weg naar de verlichting. Niet alleen de goede geesten, maar ook de demonen konden dienen tot dit doel. De begeerten hoefden niet gedisciplineerd te worden, ze waren een grote bron van energie, de seksuele energie boven alles. De verering van Shakti, de goddelijke energie in vrouwelijke vorm, leidde tot het opwaarderen van de hindoegodinnen en het introduceren van godinnen in het boeddhisme. De tantristische school van het boeddhisme heet Vajrayana.
Bon en lamaïsme:
Bon is de traditionele religie van het voor-boeddhistische Tibet. Het is een vorm van sjamanisme waarin de sjamaan, door middel van trance en ritueel verstoringen in het evenwicht tussen hemel en aarde herstelt en zo ziekte, plagen en dergelijke wegneemt. Bon kent vooral ook een groot aantal woeste demonen die met ingewikkelde offers te vriend gehouden moeten worden. Voor deze offers waren vooral dieren, maar soms ook mensen nodig. Het beroemde Bardo Thodol of Tibetaans dodenboek is voor een groot deel gebaseerd op de Bonrituelen om in contact te treden met het leven na de dood. Het boeddhisme deed in Tibet zijn intrede in de 8ste eeuw met de komst van de monnik Padma Sambhava, maar kreeg slechts voet aan de grond door veel elementen van Bon over te nemen. Met name de demonen, die zich tussen hemel en aarde bevonden, kregen een plaats in een lager pantheon dat voor hen werd gecreëerd. Ze zijn opgenomen als de wachters van de spirituele wereld. Deze ‘dharmapalas’ zijn geschilderd bij de ingang van ‘gompa’s’ (kloosters) en vaak het onderwerp van ‘thankha’s’ (religieuze schilderingen). Andere voorstellingen op thankha’s, met name de ‘mandala’ en de ‘bhavachakra’ zijn terug te voeren op sjamanistische patronen, die gebruikt werden om in contact te komen met hogere sferen. Deze Tibetaanse mengeling van Bon en boeddhisme is het ‘lamaïsme’ gaan heten, naar de lama, de Tibetaanse priester. De ‘dyani boeddha’s', vijf mediterende boeddha’s, met aspecten van de totale Boeddha zijn ontwikkeld in het lamaïsme, evenals gebedsvlaggen en gebedsmolens.
Reacties